Logo Reusel Beachweekend

Reusel Beachweekend

Reusel Beachweekend
spacer

Spelregels Korfbal

Beachkorfbal is een relatief nieuwe variant van het spel korfbal, ontstaan om en nabij het jaar 2000. Het spel is in principe bedoeld voor op zand, maar zou zich ook goed lenen voor andere ondergronden.

De regels van het spel zijn vastgelegd door de KNKV.
 De belangrijkste regels die afwijken van veld- en zaalkorfbal, zijn:
  • Beachkorfbal wordt gespeeld in één vak van 15 bij 15 meter met de korf in het midden.  
  • Je speelt 4x4 met vier dames ofwel een team met tenminste 1 dame.             ( dames/gemengd)
  • Wisselen mag zo vaak als je wilt en op elk moment. Terug wisselen mag. Wisselen dient te gebeuren vanaf één van de, van tevoren afgesproken zijlijnen tussen de driehoeken in
  • Scoor je vanuit één van de (drie)hoeken, dan telt het doelpunt voor twee
  • Na een doelpunt mag de niet scorende partij de bal uitnemen
  • Wanneer de verdedigers de bal onderscheppen, dan moet de bal eerst naar één van de (drie)hoeken worden gespeeld om te kunnen aanvallen
  • “Verovert” de verdedigende ploeg de bal via een uitbal of vrije worp, dan mag die ploeg gelijk gaan aanvallen
  • De beginworp vindt plaats vanuit één van de vier (drie)hoeken
  • Een strafworp wordt genomen op 2,5 meter van de paal. De plaats mag men zelf bepalen
  • Bij wangedrag heeft de scheidsrechter het recht een speler uit te sluiten voor de desbetreffende wedstrijd
  • De wedstrijden worden op tijd gespeeld.
 
Algemene spelregels van korfbal die van belang zijn om door te lezen mocht je een leek zijn op korfbalgebied.
1. Doelpunten
a. de scheidsrechter kent een partij een doelpunt toe als:
- de bal van bovenaf volledig door de in het aanvalsvak van die partij geplaatste korf is gevallen, behoudens in de onder c genoemde gevallen;
- vaststaat dat de bal van bovenaf volledig door de korf zou zijn gevallen, maar door een verdediger van onderaf is teruggetikt, behoudens in de onder c genoemde gevallen.
b. Wanneer de scheidsrechter heeft gefloten voordat de bal volledig door de korf is gevallen, kent hij het doelpunt toe indien vaststaat dat de bal op het moment van fluiten de handen van de schietende speler reeds had verlaten en zich buiten het bereik van enige verdediger bevond, behoudens in de onder c genoemde gevallen.
c. De scheidsrechter kent een doelpunt niet toe, indien:
- hij voordat de bal door de korf is gevallen heeft gefloten voor een overtreding van de aanvallende partij of voor het verstrijken van de halve of gehele speeltijd;
- de bal door de korf is gevallen als gevolg van een worp uit de verdediging of direct uit de vrije worp;
- hij voordat de bal door de korf is gevallen een overtreding van de aanvallende partij heeft geconstateerd en nog niet voor de overtreding heeft gefloten;
- hij tevoren onbillijke bevoordeling van de aanvallende partij heeft geconstateerd;
- de bal eerst van onderaf door de korf is geworpen en er daarna van bovenaf door terugvalt.
d. De partij aan wie de scheidsrechter tijdens de speeltijd de meeste doelpunten toekent wint de wedstrijd.
2. Spelovertredingen
Tijdens het spel is het verboden:
a. de bal met been of voet aan te raken
Geschiedt de aanraking onopzettelijk en oefent zij geen belangrijke invloed uit op het spel, dan blijft zij onbestraft.
b. de bal met de vuist weg te slaan
c. de bal gevallen te bemachtigen
d. met de bal te lopen
Lopen met de bal is strijdig met de eis tot samenspel; daarom is verplaatsen met de bal in de hand of handen alleen toegestaan, indien het zonder die verplaatsing onmogelijk zou zijn de bal vlot te werpen of te schieten of er mee tot stilstand te komen.
Bij de toepassing van deze beginselen zijn drie situaties te onderscheiden.
1. Bij het bemachtigen van de bal staat de speler stil. Hij mag in dit geval een voet naar willekeur verzetten, mits de andere voet op zijn plaats blijft. Draaien op de laatstgenoemde voet is toegestaan.
2. Bij het bemachtigen van de bal is de speler in loop of sprong; hij komt eerst tot stilstand en werpt of schiet daarna. Eis is daarbij, dat hij onmiddellijk na het bemachtigen van de bal ten volle heeft getracht tot stil stand te komen. Na het tot stilstand komen gelden voor hem dezelfde regels als onder 1 zijn vermeld.
3. Bij het bemachtigen van de bal is de speler in loop of sprong en werpt of schiet, voordat hij volledig tot stilstand is gekomen. In dit geval mag de speler de bal niet meer in zijn bezit hebben op het moment dat hij voor de derde maal na het ontvangen van de bal een voet op de vloer plaatst.
e. samenspel te vermijden (alleenspel)
Alleenspel is niet strafbaar:
1. indien de speler op dezelfde of nagenoeg dezelfde plaats blijft;
2. indien het zonder samenspel opnieuw bemachtigen of tikken van de bal door omstandigheden onafhankelijk van de wil van de speler wordt veroorzaakt.
f. de bal aan een medespeler over te geven
g. het spel op te houden
h. een tegenstander de bal uit de hand(en) te slaan, te nemen of te lopen
i. een tegenstander te duwen, vast te houden of af te houden
Dit verbod geldt jegens elke tegenstander en onafhankelijk van de plaats waar de bal zich bevindt.
Elke belemmering van de vrije beweging van de tegenstander is verboden, onverschillig of dit al dan niet opzettelijk geschiedt.
De regel verplicht een speler niet voor een tegenstander plaats te maken; elke speler mag zich opstellen en zich in de vrije ruimte verplaatsen zoals hij verkiest. Alleen indien hij zich zo plotseling in de baan van een lopende tegenstander plaatst, dat een botsing onvermijdelijk wordt, is hij strafbaar.
j. een tegenstander te zwaar te hinderen
Het gaat hier om een in het bezit van de bal zijnde tegenstander.
De hinderende speler mag trachten het werpen van de bal in de gewenste richting te bemoeilijken en uit te lokken, dat de werper de bal tegen zijn hand of arm werpt, in het bijzonder door het blokkeren van de bal, dat wil zeggen door zijn hinderende arm te brengen in de baan, die de geworpen bal beschrijft.
Daarbij is het verboden:
1. de tegenstander te belemmeren in het vrije gebruik van zijn lichaam en in het bijzonder het blokkeren van zijn armbeweging anders dan door het blokkeren van de bal;
2. naar de bal of de werpende arm te slaan; dat wil zeggen de hinderende arm mag zich tijdens het moment van aanraken van de bal niet naar de bal toebewegen.
Bij onverwachte bewegingen van de tegenstander zullen zich vaak situaties voordoen, waarbij de bewegingsvrijheid wordt belemmerd. Zulke gevallen worden niet bestraft, mits de hinderende speler direct streeft naar het herstel van de bewegingsvrijheid van de tegenstander.
k. een tegenstander van de andere sekse bij het werpen van de bal te hinderen
l. een tegenstander te hinderen die reeds door een ander gehinderd wordt
m. buiten het eigen vak te spelen
n. in verdedigde positie te schieten
Het schieten wordt als verdedigd beschouwd, indien de hinderende verdediger aan de vier volgende voorwaarden voldoet:
1. hij moet dichter bij de paal zijn dan de aanvaller, tenzij hij en de aanvaller zich dichtbij en niet aan dezelfde kant van de paal bevinden, in welk geval de voorwaarden 2, 3 en 4 voldoende zijn;
2. hij moet binnen armlengte van de aanvaller zijn; armlengte betekent dat de verdediger zich zo dicht bij de aanvaller bevindt dat hij in staat is de borst van de aanvaller aan te raken;
3. hij moet met het gezicht naar hem toegekeerd zijn;
4. hij moet daadwerkelijk trachten de bal te blokkeren.
o. te schieten na snijden langs een andere aanvaller
`Snijden' treedt op, wanneer een verdediger, die zich binnen armlengte afstand van zijn tegenstander bevindt, deze aanvaller niet kan volgen, omdat de aanvaller zijn weg zo dicht langs een andere aanvaller kiest, dat de verdediger met laatstgenoemde aanvaller in botsing komt of dreigt te komen en alleen daardoor zijn hinderende positie moet prijsgeven.
p. uit de verdediging of uit een vrije worp te scoren
q. te schieten bij het spelen zonder directe tegenstander
Dit treedt op indien het verdedigingsvak over slechts drie spelers beschikt, tegenover vier aanvallers. In dat geval moet de coach van de aanvallende partij aan de scheidsrechter en aan de coach van de tegenpartij mededelen, welke aanvaller als niet-schietende speler moet worden beschouwd.
Het is de coach toegestaan hiervoor tijdens de wedstrijd de andere aanvaller aan te wijzen, doch alleen door mededelingen aan de scheidsrechters en aan de coach van de tegenpartij op een moment, dat voor onderbreking van het spel is gefloten. Deze wisseling van aanvallers mag tussen twee vakwisselingen ten hoogste tweemaal plaatsvinden. Een geldig doelpunt kan worden gescoord uit een strafworp, die door de niet-schietende aanvaller wordt genomen.
r. een schot te beïnvloeden door de paal te bewegen
s. de paal beet te grijpen bij het springen, lopen of afzetten
t. bij het nemen van een vrije worp of strafworp de daarvoor gestelde bepalingen te overtreden
u. op een gevaarlijke wijze te spelen
Dit treedt op, wanneer een aanvaller zijn verdediger, die zich binnen armlengte van de aanvaller bevindt, met vaart in botsing laat komen met een andere aanvaller.
3. Uitbal
De bal is uit, zodra hij in aanraking komt met een grenslijn van het speelveld of met de vloer, een persoon of een voorwerp buiten het speelveld.
Bij een uitbal wordt gehandeld alsof de partij, die de bal het laatst heeft aangeraakt een overtreding heeft begaan.
4. Scheidsrechtersworp
Indien twee tegenstanders de bal gelijktijdig hebben bemachtigd, onderbreekt de scheidsrechter het spel en gooit de bal op. Hij doet dit ook indien het spel moet worden hervat zonder dat één partij recht op de bal heeft.
Voor het opgooien wijst de scheidsrechter twee spelers aan uit het desbetreffende vak van gelijke sekse en zo mogelijk van ongeveer gelijke lengte.
De twee spelers nemen aan weerszijden van de scheidsrechter plaats, waarbij de verdediger het recht heeft zich als eerste op te stellen. Deze twee spelers mogen de bal aanraken, nadat deze na het werpen door de scheidsrechter, het hoogste punt heeft bereikt. De overige spelers, die gedurende het opgooien een afstand van 2.50 m in acht nemen, mogen de bal pas spelen nadat één van die twee de bal heeft aangeraakt of deze op de vloer is geweest.
5. Vrije worp
a. het toekennen van de vrije worp
Na een door de scheidsrechter gesignaleerde overtreding krijgt de tegenpartij een vrije worp.
b. plaats van de vrije worp
De vrije worp wordt genomen op de plaats waar de overtreding is begaan met inachtneming van het gestelde in de derde alinea van de toelichting op 19c. Is de overtreding (16h, i, j, k, l en soms m) jegens een bepaald persoon begaan, dan wordt als zodanig beschouwd de plaats waar deze zich bevond.
Bij een uitbal of bij het overtreden van 16m op of buiten de grens van het speelveld, wordt de vrije worp genomen buiten het veld vlak bij de zij- of achterlijn ter plaatse waar de bal of de overtredende speler de zij- of achterlijn heeft geraakt of overschreden.
Bij een uitbal, doordat de bal de zoldering of een voorwerp boven het speelveld raakt, wordt de vrije worp genomen bij één der lange lijnen, het dichtst bij de plaats waar de zoldering of het voorwerp werd geraakt.
c. het nemen van de vrije worp
Op het moment, dat de nemer van de vrije worp de bal in de hand heeft, of kan nemen, steekt de scheidsrechter één van zijn armen verticaal omhoog en geeft met vier vingers van zijn opgestoken hand het teken dat hij binnen vier seconden zal fluiten om het spel te hervatten. Gedurende de vier seconden voorbereidingstijd kan de scheidsrechter elke spelovertreding bestraffen.
Na het opsteken van zijn arm kunnen zich twee mogelijkheden voordoen (zie hieronder A en B).
A.
1. Alle spelers zijn op een afstand van ten minste 2.50 m van de nemer van de vrije worp.
2. Indien de vrije worp in het aanvalsvak wordt genomen, nemen de medespelers van de nemer van de vrije worp bovendien onderling een afstand van ten minste 2.50 in acht.
Zodra bovenstaande situaties zich voordoen binnen de vier seconden voorbereidingstijd fluit de scheidsrechter ten teken dat het spel is hervat. De nemer van de vrije worp dient de bal nu uiterlijk vier seconden na het desbetreffende fluitsignaal (8c) in het spel te brengen. Indien de nemer van de vrije worp de bal vier seconden na het fluitsignaal van de scheidsrechter niet in het spel heeft gebracht, fluit de scheidsrechter af en kent een vrije bal toe aan de tegenpartij.
De spelers van de tegenpartij moeten aan de voorwaarde 1 blijven voldoen totdat de nemer van de vrije bal een beweging met een arm of been maakt.
De medespelers van de nemer van de vrije worp moeten aan de voorwaarden 1 en 2 blijven voldoen totdat de bal in het spel is gebracht.
De bal is in het spel gebracht als
of 1) een tegenstander de bal raakt
of 2) een medespeler, die zich op tenminste 2.50 m afstand van de plaats van de nemer van de vrije worp bevindt, de bal raakt.
Of 3) de bal tenminste 2.50 m van de plaats van de vrije worp is gekomen (gemeten over de grond).
Uit een vrije worp kan de nemer van de vrije worp niet rechtstreeks scoren. Hij kan eerst scoren nadat de bal vrij in de lucht is geweest en daarna is geraakt door een andere speler.
Indien de nemer van een vrije worp, nadat de scheidsrechter heeft gefloten voor het nemen van de vrije worp, een grenslijn of het speelveld aan de andere kant van de grenslijn aanraakt voordat de bal zijn handen heeft verlaten, fluit de scheidsrechter af en kent een vrije worp toe aan de tegenpartij aan de andere kant van de grenslijn.
B.
Indien de spelers binnen de vier seconden na het teken van de scheidsrechter niet binnen de in A genoemde voorwaarden 1. en 2. voldoen, fluit de scheidsrechter twee keer kort achter elkaar - de eerste keer om het spel te hervatten en de tweede keer om het spel weer te stoppen - en bestraft de overtredende partij met een vrije worp.
Indien de spelers van beide partijen binnen de 2.50 m zijn, zal de scheidsrechter de speler bestraffen die zich het dichtst bij de nemer van de vrije worp bevindt.
Wanneer de scheidsrechter constateert dat spelers van beide partijen zich op dezelfde, onjuiste afstand bevinden, bestraft hij de speler van de aanvallende partij.
Wanneer de verdedigende partij in het aanvalsvak deze overtreding voor de tweede keer bij dezelfde vrije worp maakt, kent de scheidsrechter een strafworp toe.
6. Strafworp
a. toekennen van een strafworp
Overtredingen, waardoor een scoringskans verloren gaat, worden bestraft met een strafworp voor de tegenpartij. Ook na andere overtredingen, die herhaaldelijk het aanvalsspel onbehoorlijk belemmeren, kan een strafworp worden toegekend.
b. het nemen van een strafworp
Uit een strafworp mag direct worden gescoord. Het is de nemer van de strafworp verboden met enig lichaamsdeel de grond tussen paal en strafworppunt aan te raken. Wordt de strafworp voor het daartoe gegeven fluitsignaal genomen, dan moet deze worden overgenomen. Alle overige spelers nemen in alle richtingen een afstand in acht van 2.50 m vanaf de (denkbeeldige) lijn tussen de strafworpnemer en de paal. Zij mogen de strafworpnemer door geen enkele handeling of opmerking in het ongestoord nemen van de worp belemmeren.
Voor het nemen van de strafworp wordt zonodig zowel de eerste als de tweede speelhelft verlengd.